De luie zetel en de leegte

De luie zetel en de leegte 150 150

Vanuit mijn sofa in mijn veranda contempleer ik op de luie zetel die voor me staat. De zetel waarin ik me ‘s avonds neervlij na een dag werken en na mijn avondmaal genoten te hebben.  Ik heb juist een traktaat over de boeddhistische leegte gelezen. 
Deze zetel bestaat en bestaat niet.  Hoe kan ik me dit voorstellen?  In een relatief veld van het besef-van-mens-zijn-tussen-de-dingen bestaat deze stoel.  Dit wordt benoemd als de visie van interdependentie en co-arising.  Alle dingen doemen op in wederzijds afhankelijk bestaan van elkaar, om daarna weer te verdwijnen of te ontstaan in een andere samenstelling.  De dingen – eerder te beschouwen als gebeurtenissen – hebben geen onafhankelijk bestaan en geen absolute entiteit. 
Vanuit de grove apparatuur waaruit ik als mens besta ontwaar ik een zetel. Deze apparatuur bestaat uit zintuigen, hersenimpulsen, behoeften…  Dus wat er gebeurt is zoiets als de co-arising van iets wat zich herkent als een behoeftige Marc die weldadig wil rusten en lekker uithangen in wat hij herkent als een luie zetel.   
In deze zomertijd vliegt er soms een vleermuis in de tuin langs de veranda waar deze zetel staat.  Deze vleermuis heeft een heel andere verhouding met dit wat wij als mensen als ‘zetel’ interpreteren.  Voor de vleermuis, die het voornamelijk van haar zintuig van echolocatie dient te hebben, is dit enkel een neutraal obstakel waar ze niet tegenaan wil vliegen! 
De waarneming van densiteit bestaat dan weer helemaal niet voor de quantumfysicus die bij het bestuderen van de zetel voor 99,9 % alleen maar ruimte ontdekt!
Ik heb een partner die ook met veel plezier gebruik maakt van deze zetel om uit te hangen.  Er is dus ook een collectieve interpretatie van deze zetel als ‘luie zetel’ tussen ons mensen.  Stel je voor dat om de een af andere reden plots alle mensen zouden verdwijnen van de wereld.  Bestaat deze zetel dan nog?  Los van een menselijke kijk en menselijke behoeftes naar comfort?
Ik weet niet wat het met jou doet, maar met deze contemplatieve vraagstelling is voor mij het bestaan van deze zetel erg ‘gerelativeerd’.  En besef ik dat ik ahw deze zetel ‘injecteer met een werkelijkheidsinfuus’ om aan mijn grove behoeftigheidsstructuur te beantwoorden!  Daar is niets mis mee.  Zolang ik dit maar als een relatieve werkelijkheidsbeleving beschouw. 
Waardoor IK – mijn ruimere IK dan ik-en de-zetel – mezelf kan blijven herkennen als de stralende essentie die in deze zogenaamde ‘zetel’ oplicht.  Als vierend en verlicht ornament van heel dit verlichtingsgebeuren!